fotografy: Linus Harms

Nico Verhoeven, vergeten dichter

WILLEM HAANSTRA – 

In de loop van de jaren zestig van de vorige eeuw kwam een relatief massale toeloop van kunstenaars naar Fryslân op gang. Met name vanuit de Randstad was de toestroom groot. Allen, het waren immers de zestiger jaren, op zoek naar een inspirerende, landelijke en o zo maagdelijke omgeving, waar ze meenden hun creativiteit onbelemmerd te kunnen ontplooien. Een van de eersten die zich hier vestigde, was Nicolaas Adrianus (Nico) Verhoeven, dan komende van Amsterdam. Hij kocht al in 1959 een vervallen arbeiderswoning aan de doorgaande weg in Greonterp, om die in de loop der tijd wat op te knappen. Met de trein naar Alkmaar, dan de bus naar Bolsward, alwaar hij een fiets huurde bij rijwielhandel Kroontje om de tocht naar Greonterp voort te zetten. Even daarna, in 1964, volgde Gerard Kornelis van het Reve (de latere Gerard Reve) hem en ging wonen in een huisje aan de enige zijstraat die het dorpje kent, vlak bij het kerkhof met de klokkenstoel.

Reve kwam daar overigens terecht op enthousiast advies van Verhoeven. Ze kenden elkaar uit de naoorlogse kunstkringen in de hoofdstad. Dat Reve een zwak had voor de zich altijd sociaal en meelevend opstellende Nico mag blijken uit zijn werken. Niet alleen het boek Het lieve leven is aan Nico Verhoeven opgedragen (‘Aan de nagedachtenis van de dichter Nico Verhoeven † 3 februari 1974’) en is hij aanwezig in Op weg naar het einde, Nader tot U en Het Boek van Violet en Dood, maar ook wordt de dichter door Reve dikwijls, in positieve zin, aangehaald in brieven.

 

Carrière

Nico Verhoeven, die we tot de toonaangevende Nederlandse dichters van de naoorlogse jaren mogen rekenen, heeft de laatste vijftien jaar van zijn tamelijk korte leven vooral in Fryslân doorgebracht. Naast dichter was hij ook journalist, beeldend kunstenaar, sociaal psycholoog (tot en met zijn kandidaatsexamen) en kunstkenner. Een onafhankelijk denker, wars van autoriteit en dikdoenerij, die voor leidinggevende functies vriendelijk maar beslist bedankte. Een merkwaardig verloop kende zijn betrekking bij de Stichting voor Industriële Vormgeving. Nadat Verhoeven in 1966 docent was geworden aan de Academie voor Industriële Vormgeving, werd hij in 1969 korte tijd waarnemend directeur van het stichtingsbestuur, in Amsterdam. Vervolgens verzette hij bergen werk voor de Stichting door handleidingen op te stellen over praktische vormgeving. Maar in 1973, vlak voor zijn dood, brak er iets: Nico kwam tot de conclusie dat de opdrachtgevers, de grootindustrie, te veel het beleid van de Stichting gingen bepalen: hij vertrok en reisde niet langer op en neer tussen Amsterdam en Bolsward.

Hij voelde zich hier, eerst in Greonterp, later in Bolsward, al snel Fries met de Friezen en bemoeide zich ook steeds meer met de Friese cultuur. Hij volgde een cursus Fries, hield lezingen, verzorgde tentoonstellingen en legde brede contacten, totdat plotseling een eind aan zijn leven kwam. En veertig jaar later is hij bijna vergeten.

Het leven van Nico Verhoeven verloopt langs lijnen van grilligheid, armoede en een zwakke gezondheid. Wel is vroeg, al tijdens de oorlogsjaren, de dichter in Verhoeven ontwaakt. Vol idealisme trekt hij ten strijde, op papier.

 

Levensloop

Nicolaas Adrianus Verhoeven (Vught, 20 augustus 1925 – Sneek, 3 februari 1974) groeide op binnen een traditioneel rooms milieu in Noord-Brabant. Vader onderwijzer, moeder telg uit een middenstandsmilieu. Na de lagere school van zijn vader slaagde Nico ondanks de oorlogsomstandigheden, een zwakke gezondheid en wispelturig gedrag (hij werd door een soort test als ‘atheïst’ beschouwd en tijdelijk van school gestuurd) in 1944 voor het eindexamen HBS-B. Hij vertrekt meteen na de oorlog naar het verwoeste Rotterdam en gaat aan de slag als journalist bij de Delftse Courant. Opmerkelijk is dat, wanneer op 1 november 1947 de roman De avonden van, toen nog, Simon van het Reve verschijnt, Nico Verhoeven als een van de eersten de literaire waarde ervan ziet. Op 11 december schrijft hij, in een recensie van het boek: ‘De avonden… een belangrijk debuut…’. Met name het oproepen van de drukkende naoorlogse burgerlijkheid vond hij subliem. Tijdens een gesprek met de journalist en schrijver E.S. de Jong, eind 1973, verklaarde Verhoeven dat hij Reve een groot schrijver vond, maar dat De avonden qua stijl wat oudbakken aandeed.

Verhoeven was niet alleen een vooruitgeschoven pion in de opvallende volksverhuizing van kunstenaars, hij was eveneens – meteen na de oorlog – een van de dichters die zich rondom het destijds baanbrekende, want existentialistische, literaire tijdschrift Het Woord (1945-1949) verzamelden. Het waren in feite de voorlopers en wegbereiders van de Vijftigers, die radicaal braken met de dan nog heersende (verzets)poëzie, evenals met de stromingen die eerder de toon zetten. Nico Verhoeven mocht figuren als Koos Schuur (die de dichter Verhoeven hoogachtte en na diens debuut met een lovende recensie kwam), Gerard den Brabander, Hans Andreus, Jan G. Elburg, Simon Vinkenoog, maar ook Hella Haasse en Simon Vestdijk tot zijn vrienden- en kunstenaarskring rekenen.

 

Zoekend

Een tijd van relatieve uitspattingen brak aan, na de oorlog, ook voor Verhoeven. Tijdens die periode van onzekerheid, losbandigheid en alcoholisme ontmoet hij in 1947 Truus Hagman. Met haar, die zich als schrijfster en beeldend kunstenaar van de naam Toyke de Wilde bediende, trouwt hij in 1949. Zij wonen, na een Amsterdamse periode, in Epe. In 1955 scheiden ze. Verhoeven is dan al teruggekeerd naar Amsterdam, schrijft aan een nieuwe bundel en zal relaties met anderen aangaan, waaronder Mary Noothoven van Goor. Met Toyke zal Nico overigens tot zijn dood innig bevriend blijven. Rond 1966 verschijnt Judith Boer in het leven van Nico. Zij zal een groot en gelukkig stempel drukken op de laatste jaren van de dichter.

Het leven van Nico Verhoeven verloopt langs lijnen van grilligheid, armoede en een zwakke gezondheid. Wel is vroeg, al tijdens de oorlogsjaren, de dichter in Verhoeven ontwaakt. Vol idealisme trekt hij ten strijde, op papier. Enige tijd na het uitkomen van zijn eerste bundel gedichten (Voorbijgang) verzucht Verhoeven: ‘Ik had gedacht dat de wereld erdoor veranderd zou worden…’ Hij blijft een onzeker dichter, weifelend, zoekend, aftastend, maar in een boeiend beeldende taal en altijd lyrisch-zingende stijl. Verhoeven, in een interview in De Tijd, 1957: ‘Dichten is de werkelijkheid ontreizen en een andere werkelijkheid creëren.’ Daarin past het beeld van de thematiek van zijn werk: van deze teleurstellende wereld kunnen slechts dichter en kind wat maken…

 

Zijn werk

Van Verhoeven zijn vanaf 1946 de volgende bundels verschenen:

Voorbijgang, 1946. Gij zijt, 1950. De brokaten mantel, 1953. Torso van de tijdgenoot, 1955. Drie staat tot een, 1962 (Acht tekeningen van Martin van Veen en acht gedichten van Hans Andreus, Nico Verhoeven, Simon Vinkenoog).Voorjaarsgewei, 1963. Straatmeubilair, 1966 (samen met ir. D.L.H. Slebos; voor de Vereniging van Nederlandse Gemeenten). De eendere dingen, 1966. Elpénor, 1968. Tenslotte, in 1975, de Verzamelde gedichten, met een inleiding en toelichting door Herman Meddens.

Zijn werk wordt met uiteenlopende kritieken ontvangen. De een rekent hem tot ’s lands grootste naoorlogse dichters (Koos Schuur), de ander verwijt hem een teveel aan beeldende – bedoeld wordt: overdreven en moeilijk te begrijpen – taalconstructies te gebruiken (Rein Bloem).

Niet in druk verschenen is zijn zgn. ‘Printoezie’. Een mengeling van tekeningen met dichterlijke teksten, gemaakt vanaf 1967, na het aangaan van een relatie met Judith Boer. Samen, Judith en Nico, kwamen ze op dat idee, en aanvankelijk samen ook werkten ze dat uit en stelden de drukken tentoon in Amsterdam en Fryslân. De relatie met Judith zowel als de ontdekking van een nieuwe kunstzinnige vormgeving waarin afbeelding én tekst alle ruimte kregen, was voor Nico een geestelijke uitkomst in een moeilijke periode van zijn leven. Uiteindelijk tekende en schreef Verhoeven onafhankelijk van Judith Boer. Een aantal van de teksten gaat over Fryslân, met name over Bolsward en Workum: ‘…Van Workum tot Wladiwostok…’. Tot nu toe zijn deze kunstuitingen op diverse overzichtstentoonstellingen te zien geweest, maar nog niet in een verzamelde vorm verschenen.

Nico kwam in de loop van 1973 officieel te wonen aan de Kleine Dijlakker 27 te Bolsward. Hij werd als ingezetene van de stad ingeschreven op 14 augustus. Al lang voor die tijd bezocht hij daar zijn vriendin Judith Boer met grote regelmaat. Opvallend is dat Judith dan al enige tijd in Bolsward woont, maar niet ingeschreven staat in het bevolkingsregister. Zij had blijkbaar haar komst niet gemeld bij de burgerlijke stand. Kleine Dijlakker 27 wordt in eerste instantie gehuurd door Valeska Judith Satsuki (Djakarta, 27 november 1935 – Húns, 8 april 2013), de eigenlijke naam van Judith Boer. Judith kreeg haar opleiding tot beeldhouwer aan de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten in Den Haag, maar tekende ook toen al. Ze vestigde zich in Amsterdam en behoorde daar al snel tot de hoofdstedelijke kunstenaarswereld. Ze komt, op advies van Verhoeven, begin jaren zestig in Greonterp wonen, gaat vandaar naar Wolsumerketting en vervolgens naar Bolsward. Na het overlijden van Nico vertrekt Judith naar Amsterdam. Ze zal opnieuw trouwen en een gerenommeerde galerie gaan houden in Húns. Uit dat dorp zal ze niet meer weggaan.

 

Judith Boer

Judith Boer was een landelijk bekend beeldend kunstenaar. Aanvankelijk exposeerde ze in Amsterdam, o.a. in ‘Galerie Mokum’, maar sinds ze in Fryslân kwam wonen ook hier. Judith is de vrouw die onder de naam Sarah voorkomt in het werk van Gerard Reve en grote indruk op hem maakte. Een gedocumenteerde ontmoeting tussen hen was in 1967, in Greonterp. Judith was op bezoek bij Nico Verhoeven, vlakbij, en kwam bij Reve langs met haar drie kinderen. Daarover schrijft Reve in zijn grote, sterk autobiografische werk Het Boek van Violet en Dood: ‘Ze had fraaie, harde borstjes, en ik werd het atoom van een zeer bescheiden parfum gewaar, waardoor ik opeens moest denken aan het gruwelijk lot van mens en dier, van de gehele schepping zelfs, ja, van alles wat adem had. En opeens sloeg ik mijn armen om haar heen, trok haar tegen mij aan en kuste haar op haar wangen, haar ogen, haar oortjes en ook enige malen in haar hals. Neen, niet op haar mond, want dat vond ik tegenover de jongetjes ongepast, God weet waarom. Ik liet mijn hoofd even op haar schouders rusten. “God ontferme Zich over ons allen,” stamelde ik hees.’ (p.116) Vervolgens beschrijft Reve de gevoelens die hij krijgt bij een van de drie jongens die Judith op die zomeravond van de ontmoeting in het tuintje voor huize Het Gras bij zich heeft: Vincent, de middelste.

De relatie tussen Nico en Judith was innig, maar ook controversioneel. Immers, de wat oudere Toyke de Wilde onderhield ook nog goede banden met haar ex-echtgenoot. In Nico’s laatste levensfase bleek de liefde van beiden, Toyke en Judith, voor Nico alle emotionele afstand te slechten. Na de dood van de dichter laaide de rivaliteit echter weer op.

 

Laatste jaren

Nico Verhoeven was een vaak en graag geziene gast in Bolsward. Hij paste zich wonderlijk snel aan in zijn nieuwe woonplaats, bemoeide zich met exposities en andere kunstzinnige activiteiten, keek uit naar elk Fries boek dat verscheen en schreef met enige regelmaat in de plaatselijke krant. In deze periode ook legde hij zich fanatiek toe op de fotografie, die in de krant ook de ruimte kreeg. Hij was, kortom, een inspirerend, kunstzinnig en meelevend mens, op alle fronten. Personen die hem in die tijd gekend hebben, spreken nog steeds in termen van sociaal, innemend en behulpzaam. En zijn opvallend sprankelende oogopslag staat velen, veertig jaar na zijn overlijden, nog helder voor de geest. Ondanks zijn steeds moeizamer wordende fysieke gesteldheid (Nico had last van reuma en hoge bloeddruk) was hij overal met een ontwapenende nieuwsgierigheid aanwezig.

Wie de Algemene Begraafplaats van Bolsward via de zijingang binnenwandelt, zal rechts aan het eind van het eerste pad, voor de splitsing met boom, een graf opmerken met daarop een kleine, alleszins verweerde steen met dichterlijke tekst. Het is het graf waarin de dichter Nico Verhoeven rust. De steen is vormgegeven door Judith Boer, een vaas staat afgebeeld. En de tekst erop luidt: ‘Zeg aan de grijze kerkuil/ van mijn ogen/ dat ik een vaas ben/ en alleen/ wil zijn’. Met daarboven: Nico Verhoeven / 3 Feb. 1974. De regels komen uit het intrigerende gedicht ‘De brokaten mantel’. Een gedicht dat afsluit met een voor Verhoeven kenmerkend beeld: ‘Toen klonken uit het bos de mannelijke slagen/ van heldre bijl in hout, van bijl in helder hout.’ De vaas is overigens een door Verhoeven dikwijls gebruikt zinnebeeld. Zij geldt van oorsprong als het symbool van de wedergeboorte, maar ook als de bron (baarmoeder) van al het goeds. In het boeddhisme, waar Nico zich in verdiept had, staat de vaas voor een lang en gelukkig leven in het nu en het hiernamaals.

Wie nog scherper kijkt, ziet aan het voeteneind van het graf een klein, ovalen steentje, zo mogelijk nog verweerder en onleesbaarder dan de verticale grafsteen. Daarop: 10 mei 1915//Trijntje Hagman//23 dec. 1995//. Daaronder de tekst ‘Brief aan de liefste’. Nico’s eerste vrouw, Trijntje (Truus) Hagman (Toyke de Wilde) is in 1995 overleden, daarna gecremeerd en vervolgens is de urn op 8 maart 1996 bijgezet in het graf waar Nico Verhoeven begraven ligt. De gememoreerde tekst op zijn grafsteen bestaat uit twee regels, de nummers drie en vijf, uit het gedicht ‘De brokaten mantel’, waarvan de eerste twee coupletten luiden:

‘–O de brokaten mantel van uw honger,/ geworpen om de naaktheid van mijn vaas./ Zeg aan de grijze kerkuil van mijn ogen/ en aan de dorpse honden die mij volgen/ dat ik een vaas ben en alleen wil zijn:/–’

Dit gedicht behoort tot de beste die Verhoeven schreef. Het centrale thema van de dichtkunst van Nico Verhoeven, dat zich laat vatten in het begrip ‘kosmos’, is in dit gedicht overduidelijk te herkennen.

 

Laatste gedicht

Zaterdag 2 februari 1974 was Nico nog aanwezig bij de opening van een expositie van werk van Peter Vos in Workum. Diezelfde dag, weer thuis, schreef hij nog aan zijn laatste gedicht. Een aangekondigde dood, lijkt het, gelet op: –Zo zijn wij samen/ op weg:/ de linkse koning in rok/ en de haan met de kippen op stok,/ De engel van kraai en kind/ vliegt hiertussen in en vindt/ het grootste kubusgelijk/ v.d. wereld/ in de vorm van een vleugellam/ veertje/ Wieg het, o mensen, wieg het/ als een bepereld kereltje–.

Als laatste regel, helemaal onderaan: ‘fijnbesnaard, maar onhandig, 2.2.1974.’

De volgende ochtend, op zondag 3 februari, kreeg Nico Verhoeven thuis een hersenbloeding. ’s Avonds, tegen middernacht, zal hij overlijden in het ziekenhuis van Sneek. Met Judith en Toyke aan het bed.

De overlijdensadvertentie in het Bolswards Nieuwsblad meldde: ‘Wie hem kende, hield van hem’. Het rouwbericht was ondertekend door Toyke, Judith, Vincent, Maup, Brennie en Maartentje.

Nico lag opgebaard in de woonkamer, annex werkruimte, beneden. De kist stond daar, centraal, omringd door Boeddhabeelden, christelijke symbolen, brandende kaarsen, kopjesgevende katten, manden met broodjes en de geur van wierook. Naast de kist zat Toyke de Wilde, zijn eerste vrouw. Urenlang was ze bezig Nico te tekenen, zoals hij daar lag opgebaard. Toyke en Judith zullen tijdens die dagen veel steun bij elkaar zoeken. Opmerkelijk is, in dit kader, dat enige tijd na het overlijden van Verhoeven, tijdens een tentoonstelling van zijn werk in Workum, de deurwaarder uit naam van Toyke beslag kwam leggen op het daar aanwezige werk. Ze meende dat haar alle rechten toebehoorden. Judith zou met verbijsterde boosheid reageren.

Vincent, de middelste zoon van Judith, die bij hen inwoonde, was na het overlijden van Nico radeloos. Hij was erg op Nico gesteld, zoals Verhoeven ook op de jongen. Later zal Vincent zijn heil in Israël zoeken. Daar maakt hij een eind aan zijn leven.

Het was op donderdag 7 februari in het jaar 1974 dat Bolsward kennismaakte met een bonte begrafenisstoet, waar, achter de witte lijkauto, volgers in kleurige kledij aansloten. Veel hoeden, veel kunstenaars, veel buren, veel verdriet. Een geliefd mens en groot dichter werd als vaas alleen gelaten.

 

Earder publiseard yn de Moanne, 13 (2014),  2 (april) s. 34-39.

Reagearje

DE MOANNE

'de Moanne' wol in breed en kreatyf poadium biede foar aktuele en skôgjende bydragen oer kultuer en de keunsten. 'de Moanne' lit sjen wat der yn en om Fryslân spilet, yn taal, byld en nije media. 'de Moanne' ferskynt op it web, op papier en organisearret 'live'-moetingen.