Een brief aan Gerard Reve

HUUB MOUS – 

 

Geachte mijnheer Van ’t Reve,

Met enige schroom richt ik mij tot u, aan wie ik nooit een brief zou schrijven, al was het maar omdat ik daar de moed niet toe had, u die ooit de mooiste brieven schreef die de Nederlandse literatuur heeft voortgebracht.

Ik zou het niet durven en doe dit alleen omdat de organisatoren van deze kleine expositie ter ere van u en een dichter uit deze contreien, die men ook wel ‘de kunstenaar van het dubbel kruis’ placht te noemen, mij dit hebben gevraagd. Dat dubbele kruis, dat moet u aanspreken. Enerzijds het kruis van Onze Here Jezus Christus, u weet wel, die zenuwenlijer van wie men nog altijd zegt dat hij drie dagen na zijn dood is opgestaan, en anderzijds dat ene kruis tussen de benen van alle mensen, waar alle aardse liefde zijn begin en einde kent.

Als geen ander wist u hoe die twee kruisen met elkaar samen kunnen vallen, de hemelse en de aardse liefde. Het eeuwige sacrament van de mystieke vereniging met God en de aardse hunkering van u die zijn toevlucht zocht tot de geheime opening van een muisgrijze ezel. In Dialoog, tijdschrift voor homofilie en maatschappij had u in 1965 vanuit Huize Het Gras het volgende geschreven: ‘Als God zich opnieuw in Levende Stof gevangen geeft, zal hij als ezel terugkeren, hoogstens in staat een paar lettergrepen te formuleren, miskend en verguisd en geranseld, maar ik zal hem begrijpen en meteen met hem naar bed gaan, maar ik doe zwachtels om zijn hoefjes, zodat ik niet te veel schrammetjes krijg, als hij spartelt bij het klaarkomen.’

Dat waren nog eens woorden, mijnheer Van ’t Reve, moedig, tegendraads, onverschrokken en recht voor zijn raap. Hoe anders klinken die woorden in de romantische rijmelarij van de kunstenaar van het dubbele kruis. Mijnheer Van ’t Reve, ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat u bij dit soort pathetische dichtregels de slappe lach zou krijgen. Hoe groot is het verschil tussen uw onverschrokken taalgebruik en de romantische kwezelarij van de kunstenaar van het dubbele kruis. Het is het verschil tussen Romantiek en ‘kapotte Romantiek’. Tussen de verering van Gods aanwezigheid in de natuur en uw rauwe klacht om Gods afwezigheid, zelfs hier in dit fraaie landschap rondom Blauwhuis.

En toch heeft men gemeend u beiden hier bijeen te brengen, u en de kunstenaar van het dubbele kruis. Wat is het dan wat u bindt? Wat heeft u gemeen met hem? Is het dit meedogenloze landschap, waarin u beiden heeft verkeerd, een streek die Tjitte Piebenga ooit in de volgende fraaie woorden beschreef:

‘Hwerom soe Sanfurdterryp net it midpunt fan de wrâld wêze kinne? Ungelokkich de geograef dy’t dat midpunt earne oanwize en biskriuwe moat, lokkich de minske dy’t it yn syn hûs en op syn hiem foun hat. Hwer is it lân sa wiid, de kym  sa fier, de himel sa heech as yn it gea om de Aldegeaster Brekken?’

 

Iets van uw gevoel bij dit landschap, mijnheer Van ’t Reve, heeft u in een brief aan Trimbos als volgt verwoord: ‘Elk blad aan elke boom, elk raam, elke sloot, elke koe, elk dak verkondigt de eeuwige afwezigheid van God, en het niet bestaan van de Liefde.’

Hoe is het mogelijk dat dit landschap zo verschillend beleefd en verwoord kon worden, door u en de kunstenaar van het dubbele kruis? Hoe is het mogelijk dat men gemeend heeft tussen die twee zo verschillende belevingen een overeenkomst te kunnen ontdekken? Was het niet beter om de vraag anders te stellen? Wat is het grootste verschil tussen uw manier van verwoorden en die van de kunstenaar van het dubbele kruis?

Een jaar nadat Gerben Rypma overleed streek u in deze contreien neer. Het was een andere wereld geworden, waarin u uw aangrijpende verzen schreef waarmee u uw boek Nader tot U  heeft afgesloten. Sterker nog, het was een goddeloze wereld aan het worden.

Maar was dat wel zo? Was het niet eerder een wereld die aan ander godsbeeld nodig had? Een andere God dan die van ‘de kunstenaar van het dubbel kruis’? De formulering van een nieuw godsbeeld, dat niet strijdig was met de aardse liefde … Dat was het waar u, mijnheer Van ’t Reve, in uw werk mee bezig bent geweest. Hier in dit goddeloze landschap rondom Blauwhuis, waar u op zoek ging naar een nieuwe ‘Taal der Liefde’. Nadat die God van die Nieuw Liefde zich aan u had geopenbaard, begon u op uw dakkamertje te ‘schreien, God prijzende na ontelbare keren te rukken.’

Wie was die onbekende God? Zijn beeld moest opnieuw in elkaar worden geknutseld, niet alleen uit brokstukken uit een ver verleden, maar ook uit al die troebele beelden die uit uw benevelde brein naar boven kwamen. Dronken van de dure cognac die u als beloning van mijnheer Grossouw kreeg, begon u God in uzelf te zien. U wérd misschien wel God, de God die zelf ook dronken was en zondig en geil, die gevangen zat en verlost moest worden in het ontketende woord van een visioen. God woonde immers in het hart, vanwaaruit hij in de wereld opnieuw geprojecteerd moest worden.

Geloven had volgens u niets met een meetbare waarheid van doen, maar met woorden als hoop en liefde, met het geven van je hart. Het Latijnse woord ‘credo’ was immers afgeleid van de twee simpele woorden ‘cor’ en ‘do’: ‘Ik geef mijn hart.’ God was De Liefde, de onvoorwaardelijke liefde die niet te vangen is in chemische verbindingen of logische redeneringen, maar die zich uit in pijnlijke tegenstellingen en bizarre ongerijmdheden. Want als een mens de liefde niet had, dan was hij niets. Dat was het toch wat Paulus had beweerd? Dat was het toch wat u zeggen wilde, mijnheer Van ’t Reve?

Maar uw liefde voor dit goddeloze landschap sloeg om in weerzin. U begon te schelden en te foeteren op alles en iedereen, zelfs de geseculariseerde katholieken moesten het nu ontgelden. Aan Wim Bergmans schreef u in 1970; ‘Ik spuug er op, langzamerhand, op het Nederlandse katholicisme. Alles is domheid, onbegrip, symboolblindheid, en aanbidding van het rapaljair geweld.’ En even later in datzelfde jaar aan Bernard Sijtsma: ‘Van de hedendaagse katholieken walg ik, die gisteren dachten dat God echt bestond & vandaag denken dat hij dood is, & verder noch tot denken, noch tot voelen, noch tot het zich iets voorstellen in staat zijn.’

In dit goddeloze landschap rondom Blauwhuis had u God herkend in het verlaten kasteel van uw eigen ziel, maar die God zag u nu opeens nergens meer om u heen. De Friese taal werd voor u een keelziekte en de stilte was opeens weg. Alleen de knalpot van een opgevoerde bromfietsmotor deed u nog aan het visioen van Jeremia denken. Agnus Dei, qui tollis peccata mundi, dona nobis silentium.

‘En ze krijsen zo verschrikkelijk, de Friezen,’ schreef u in datzelfde jaar 1970 aan Bernard Sijtsma. Het openbaar vervoer werd steeds minder en de open ruimte die eerst aanleiding was tot uw mystieke ervaringen, ervoer u nu als een beklemming.

Er is geen boom geen bossage, geen laan, niets, dat veiligheid biedt.’ Schreef u een jaar later aan Josine M. Overal kwam je elkaar tegen en iedereen moest je groeten, terwijl je niemand iets persoonlijks of oorspronkelijks hoorde zeggen. Terugkijkend vanuit Veenendaal schreef u op 1 januari 1972 aan Sijtsma: ‘Weet je dat we in Friesland eigenlijk nooit met iemand echt intiem zijn geworden? Gesprekken over God en de Kunst, daar verlang ik erg naar.’

Mijnheer Van ’t Reve, het Friesland, dat u had opgezocht voor de stilte en de ruimte, had u toen al ver achter u gelaten. En toch hier in dit land rondom Blauwhuis was u op zoek gegaan naar een nieuwe God die tegelijk zou oud was als de wereld zelf. Een God die enerzijds paulinische trekken had in zijn nadruk op het ongehoord nieuwe van het idee dat God ‘De Liefde’ zou zijn, die boven alles uitgaat en zich zelfs onttrekt aan de strenge wet van Jahweh, en anderzijds het heidense verlangen naar de godin van de aarde, Maria, als plaatsvervangster van Isis, de Moeder van God die alle tranen van de wereld in zich op kon nemen.

Dat alles was voor de  kunstenaar van het dubbele kruis niet weggelegd. Al lang voordat u hier kwam, mijnheer Van ’t Reve, trok die kunstenaar  zich terug in zijn stulpje aan de Oudegaaster Brekken, niet ver van de plek waar u later vaak lag te lezen in de zon.

Tot slot, mijnheer Van ’t Reve, nog dit. Nog vorig jaar ben ik daar op die plek, waar ooit dat stulpje stond, langs gefietst op dat prachtige fietspad dat tegenwoordig langs de Brekken loopt. Daar staat nu een bord, als een lieux de mémoire. Het is de plek waar de kunstenaar van het dubbele kruis ooit doodziek van een longontsteking uit dat stulpje werd weggedragen, dat kort daarop uit voorzorg tot de grond toe werd afgebroken.

Zijn laatste jaren sleet hij in het verzorgingstehuis in Blauwhuis, waar hij tot het eind toe bleef schilderen. In 1963 overleed hij, zo arm als een luis. Om de begrafenis te betalen, werden zijn schilderijen bij opbod verkocht, hier in in Café De Freonskip, waar wij vandaag bijeen zijn en vanwaar ik deze brief tot uw richt.

Na het overlijden van Gerben Rypma, vervaardigde Meinte Walta een opmerkelijk modern, geometrisch vormgegeven grafmonument, dat nog altijd te vinden is op de begraafplaats, hier in Blauwhuis. Een graf voor de kunstenaar van het dubbele kruis, één voor de schilder en één voor de dichter die ooit de volgende woorden schreef  in zijn gedicht:

 

Dreamen

Al hwat to wrâld mei treftich hjitte
Is my as frjemd ûnkundich bleaun.
Ik ha gjin namme boppe mjitte

Of hege rom en ear bikleaun.

Nea wie de útkomst fan myn dieden
In great gewin fan goud en goed.

Myn wurk wie lyts, myn steat biskieden
En wurch en krêftleas jamk myn moed.

Doch is de jeugd yn ljochte dagen

My brûzjend troch it herte gien.

Fan wantrou en fan ’t lot bidragen

Ha ‘k moedleas foar ‘e takomst stien.
Mar ‘k ha myn dreamen hawn en fragen

Fan’t libben – en ik bin foldien.

 

U, mijnheer Van ’t Reve, zult hier in dit goddeloze landschap ook uw dromen hebben gehad. Mischien zelfs uw dubbele kruis. Ook al mocht uw graf hier in Blauwhuis nooit opnieuw gegraven worden. Het ga u goed, daar waar u ook wezen mag. Moedig voorwaarts, met of zonder God, dat is alles wat ons hier op aarde rest. Het ga u goed … u die ons de mooiste woorden naliet die ik ooit gelezen heb in uw gedicht

 

Dagsluiting

Eigenlijk geloof ik niets

En twijfel ik aan alles , zelfs aan U

Maar soms, wanneer ik denk dat Gij waarachtig leeft,

Dan denk ik dat Gij liefde zijt, en eenzaam,

En dat in dezelfde wanhoop, Gij mij zoekt

Zoals ik U.

 

Voor die woorden, mijnheer Van ’t Reve, wilde ik u nog bedanken.

Alle goeds

Huub Mous

 

 

 

(Openingswoord dat op 28 april jl. werd uitgesproken bij de tentoonstelling Reve & Rypma, Leafde foar Taal in Kafee De Freonskip in Blauhús. )

Comments
Ien reaksje oan “Een brief aan Gerard Reve”
  1. Jos Heitmann schreef:

    Het is verbijsterend te lezen wat je in je jeugd heb geleerd zo overhoop wordt gegooid en ook religieus zij.

Reagearje

DE MOANNE

'de Moanne' wol in breed en kreatyf poadium biede foar aktuele en skôgjende bydragen oer kultuer en de keunsten. 'de Moanne' lit sjen wat der yn en om Fryslân spilet, yn taal, byld en nije media. 'de Moanne' ferskynt op it web, op papier en organisearret 'live'-moetingen.