Josse de Haan
DE SCHOONHEID VAN DE GEBROKEN ARMPJES
DE SKIENTME FAN DE BRUTSEN EARMKES
Beste Huub, freonen, Dames en Heren,
De kleur van Friesland heet de overzichtstentoonstelling - Beeldende Kunst na
1945. Ik ben van ‘41, geboren en getogen in Peins, tussen Franeker en
Leeuwarden. De metropolen van mijn jeugd. Ik wil als ooggetuige wat vertellen
over mijn ervaringen met literatuur en beeldende kunst in Friesland, over de
sfeer, en invloeden die er zijn ontstaan. Ik heb met
beeldende kunstenaars samengewerkt - Jopie Huisman, Wim Dieleman, Fritz Rahmann,
Hendrik Beekman, Frans Lodewijk Pannekoek en Paulo Martina.
VIERKANTE VOGELS
Mijn vroegste herinneringen hebben te maken met de oorlog - het afweergeschut
vlakbij Peins, ‘s nachts. Lichtflitsen, kanonnengebulder, monotoon gezoem
van Engelse bommenwerpers, dat alles zie en hoor ik nog. Onweer en vuurwerk
kunnen me gestolen worden. Het schept angst. Er zijn ook andere ervaringen.
Eind ‘44 ging ik met mijn vader op de fiets naar Sneek, waar hij gedroogde
tabaksbladeren bij een fabriek afleverde. Ik was bijna vier. De geur van tabak
die ik in de fabriek opsnoof bleef voor altijd in mijn neus opgeslagen. Een
paar jaar geleden reisde ik in Extramadura: ik rook iets bekends - na 55 jaar
kwam de herinnering terug. In Extramadura verbouwt men tabak.
Ik kreeg een metalen tabaksdoosje beschilderd met naar mijn idee vierkante vogels.
Ook met letters. Ik kon nog niet lezen, en dat maakte het nog geheimzinniger.
Het was mijn eerste ervaring met iets wat ik heel mooi vond-, de vorm van het
doosje, de vogels en de letters. Wellicht ligt daar het begin van mijn fascinatie
voor teksten, voor aparte vormen.
GEBROKEN ARMPJES
In mijn roman Piksjitten op Snyp/KIKKERJAREN heb ik o.a. over de jeugdjaren
van een jongetje geschreven. In het voorjaar trokken die jongetjes de weilanden
in voor kievitseieren. Als ze die niet vonden vermaakten ze zich met polsstokspringen
over sloten en vaarten. Als je een polsstok in het toen nog heldere water zette,
brak die in twee delen. Hetzelfde gebeurde met je arm als je die tot je elleboog
in de sloot stak. Die vervormingen en veranderingen spraken mij aan. Het was
dezelfde arm, maar toch een andere.
Ik moest daar aan denken toen ik het verhaal van Frank Gehry las, de schepper
van het Guggenheim in Bilbao. Hij vertelt in een interview dat hij als jongetje
met een levende karper speelde die in de badkuip van zijn grootmoeder zwom,
tot hij als avondmaal door de hele familie werd opgegeten.
De grillige bewegingen en vormen van de karper in de badkuip komen als metaforen
terug in het museumgebouw in de rivier. Ook vanaf de vier toegangswegen naar
het Guggenheim in het centrum van Bilbao manifesteren zich die metaforen - het
museum leeft, beweegt en verandert voortdurend van vorm. Kinderen spelen met
vissen, die vogels worden of musea.
KOPEREN TUIN
Van 1957 tot 1962 was ik leerling van de Rijkskweekschool op het Schavernek
in Leeuwarden. Die school werd voor mij de opening naar de wereld. Ik ontdekte
meer vormen en mogelijkheden, zowel in als buiten de school. In 1958 stonden
we met een paar klassen in het Stedelijk Museum in Amsterdam. De experimentelen
en Cobra werden tastbaar. De poëzie werd zichtbaar.
Buiten de kweek waren daar Kunstzaal Van Hulsen met zijn praatkelder op de Nieuwestad,
kunstcentrum De Prinsetún in de Koperen Tuin en soms het Fries Museum,
waar ik voor het eerst Chagall zag. Er veranderde iets - in mijzelf, in de maatschappij.
Ik heb over die tijd geschreven:
Poëtysk Ljouwert - 50 jier letter (2006)
Filmreuny
net Bill Haley ‘s orkaan fan kometen, plysjes yn spagaat rûnen wy
letter ûnder in blêdetek fan beammen, ien lampe op it paad fan brutsen
skulpen fûnst har, de kastanje - sjoch, se spegelet, moatst bewarje, kin
gelok betsjutte - jierren letter hat se tearen yn ‘e holle, knipperet
tsjin it !jocht heucht har as de dei fan juster de film, Rock around the Clock
mar ek de singeliere dûns yn de lette nacht, de koperen tun de hân
dy’t mei har boarte, tûk tusken de boarsten skode ik koesterje har
al jierren, no op myn buro, yn cinemaskoop tink oan de Rock, dy nacht, Panders
byld, dêr ‘t ik op like de kastanje projektearret de bylden, begrypt
myn langst ik gean werom, betink farianten, keppele oan dizze tiid oant ik nei
safolle jierren wer yn de Cinema sit, itselde plak ik mis de smook fan sigaretten,
cola, it buske foar de blinen freegje my of wa’t op dizze stoel genoaten,
singels of pearkes oft ik dizze filmfreonen sammelje kin, swart-wite reuny mar
soks jildt allinne foar de libbenen, lykas spilers yn in film
BELLEVUE KEIMPTILLE
Begin jaren zestig loop ik langs het Van Harinxmakanaal bij Kingmatille/Hatsum.
Het is mistig, de kieviten laten het afweten. Ik heb trek in een boterham en
loop naar een onbewoond arbeidershuisje. Het heet Bellevue. Ik heb me vergist.
Er komt iemand naar buiten, nodigt mij binnen. Het is Josum Walstra - schilder,
ook redacteur/opmaker van het Friese literaire tijdschrift voor experimenten,
quatrebras in Amsterdam.
We drinken koffie, we praten, hij vertelt dat hij naar Harlingen verhuist, een
Galerie wil beginnen in de binnenstad. De Blauwe Hand zal hij heten. Een paar
jaar later woon ik in Midlum en word secretaris van de Stichting De Blauwe Hand.
Mijn blik verruimt zich verder - ik ontdek nog nieuwere vormen:
Harlingen, 10 october 1964, ‘s avonds - Galerie De Blauwe Hand
Een zeventig mensen zitten in de galerie van Josum Walstra te Harlingen. Aan
de muren hangen schilderijen van Jacqueline de Jong uit Parijs - gestileerde
fallussen. Er staat een verlicht project van Harmen Abma - hele en halve paraplu
‘s. Tegen de achterwand vormen honderden knijpers een assemblage van Paul
Damsté.
Boven dit kunstwerk wordt een filmpje vertoond van Wim van der Linden - een
adembenemende zich openende tulp - 10 minuten lang. Dan klinkt er applaus. Harmen
Abma begint een drumsolo, de quatrebrasdichter Hessel Miedema springt achter
de microfoon en leest gedichten voor uit zijn nieuwe bundel ‘De Greate
Wrakseling’, geïnspireerd door zijn ervaringen als conservator met
het Friese cultuurestablishment.
Later op de avond spelen dichters van het literaire tijdschrift quatrebras en
beeldende kunstenaars van De Bende van De Blauwe Hand een fragment uit ‘De
rinoceros’ van Ionesco - de strijd tussen het individu en de massa.
Josum Walstra was een visionair kunstenaar. J. Noordmans, redacteur van de LC,
lustte hem rauw. Het leek alsof hij een persoonlijke vete met Walstra uitvocht.
Over het tijdschrift quatrebras dat Walstra opmaakte zei hij o.a.: ‘58:
het t.s. is van binnen even smerig als van buiten; ‘59: het blad is slechts
geschikt voor de vuilstortplaats; ‘59: als je vinger de omslagtekening
van Walstra natekent gaat die vinger na afloop naar je voorhoofd; ‘61:
Walstra heeft als opmaker geknoeid met de teksten van de dichteres ella wassenaer
(Schurer). Dergelijke Noordmannen en de LC bestaan nog steeds.
ANNE WALDMAN: TIDNGS THAT GO AWAY
De exposities in de Galerie, de vertoonde films van de nouvelle vague uit Frankrijk
door de De Blauwe Hand-filmliga - ik herinner me L ‘Année dernière
à Marienbad van ResnaislRobbe-Grillet, de pas overleden romancier van
de nouveau roman - de bezoeken aan galerie Waalkens in Finsterwolde, de discussies
tussen Walstra en Panhuysen over het Friese klimaat, dat alles heeft een onuitwisbare
invloed gehad op mijn leven en werk.
Operaesje Fers, de telefoonpoëzie vanaf februari 1968, heeft voordeel
getrokken uit de ervaringen die ik met De Blauwe Hand had opgedaan. De Kultuerrie,
het FLMD en de Provincie reageerden uiterst negatief op onze subsidieverzoeken
- door de enorme belangstelling (er belden duizenden per dag) moesten we plotseling
10 telefoonlijnen betalen.
Uiteindelijk kwam de Gemeente Leeuwarden over de brug, en daarna verleende Cultuurminister
Klompé subsidie. Mevr. Faber van de Kultuerrie nam het ons kwalijk dat
we rechtstreeks zonder haar tussenkomst Klompé hadden benaderd (ik sprak
met de echtgenote van Anne Vondeling die in hetzelfde kabinet zat). Het advies
van de aan ons toegekende Gysbert Japicxprijs werd dan ook door Gedeputeerde
Staten weggehoond. Operaesje Fers was principieel meertalig, en ook dat was
hen een doom in het oog. Men noemde het ‘puberaal gedoe’, en ‘in
opfleanderke’ .
Voor het boekenbal in oktober 1968 verspreidden we dan ook het gerucht dat we
de spin in het web, Mevrouw Faber, zouden ontvoeren. Ze kwam onder zware bewaking
van de voorzitter van de Kultuerrie, van prominente Friese dichters en van de
directeur van de Fryske Akademy De Lawei binnenzeilen. Men vreesde het ergste.
Ze heeft zelfs niet durven dansen met haar bodyguards.
Op die avond in De Lawei lieten we gedichten horen van de avant-garde uit New
York, die ons idee had nagevolgd - ze stichtten Dial a Poem. Met o.a. Gregory
Corso, Allan Ginsberg en Anne Waldman wisselden we gedichten uit. Ik lees een
gedicht van Anne Waldman zoals zij dat in october 1968 op de poëzielijn
voorlas:
THINGS THAT GO AWAY
thoughts
airplanes
boats
trains
people
dreams
animals
songs
husbands
boomerangs
lightnings
the sun the moon the stars bad weather
good weather
the seasons
soldiers
good luck
health
depression
jOY
laundry
AND CO ME BACK AGAIN
Dit soort stapelpoëzie van Anne Waldman is door Jenny Holzer in een tien meter hoge glazen installatie gebruikt voor het Guggenheim in Bilbao - de poëzie loopt in drie talen van beneden naar boven - Baskisch, Spaans en Engels. De schoonheid van de gebroken armpjes en vissen die vierkante vogels worden loopt in drie talen voor je ogen.
BLINDE MOLLEN
Baskenland heeft 2 miljoen inwoners en 3 prachtige museums. Ook in de
rest van Spanje vind je architectonische juweeltjes, zelfs in regio’s
van dezelfde omvang als Friesland. In een kort prozafragment beschrijf ik waardoor
zoiets in Friesland bijna ondenkbaar lijkt - ondanks de 2 miljard troostgeld
voor een vastgelopen magneettrein. Het verhaaltje is tijdloos en heet: Mollenêst
yn appel
Koest se oeral tsjinkomme. Moarns nei achten en middeis nei healwei fiven. Se
kamen omheech út de trotwaars, út de grêften, út
de muorren, út de beammen en seIs út de strjitlampen. As poddestuollen
op in deade beam, as michjes op rotsjend fleis. Se stonken as âld swit
tusken de kieren fan de teannen of yn de liifronfels fan âlde kij dy’t
dochs foar de slacht ornearre wiene.
Se beweegden as krobben, de stadigen. As eamelders, de fluggen. Se foelen oer
elkoar hinne, se frieten elkoar út en troch op, mei ham en gram. Soms
bleauden se stean foar stopljochten, foar in nijsgjirrige útstalkast
dy’t der in dei earder noch net wie. Faak ek foar in grutbyldtelevyzje,
dêr’t soartgenoaten achter elkoar oan jeiden. As losbrutsen gekken.
As de foarste stean bleau foar in fideo dêr’t immen in appel midstwa
snijde, en yn it hert fan dy appel in nest fan in mol bleat kaam, dêr’t
sân neakene moltsjes yn omtysken, dan stoareagen se allegearre nei dy
bleate bline mollebealchjes. Se seagen harsels.
Stokstiif stiene se dan te sjen. As mummys ferstjurren se foar de foarstelling
fan de moltsjes. Se woene sels sa ‘n trochsichtich moltsje wêze,
mei sa’n wytrôze feItsje, dêr’t men alle ieren en termen,
alle organen dy’t it libben yn stân hâlden, sykheljen seach.
Dy dream fan in neaken lyts mollepopke, trochsichtich as in akwarium fol fisken,
achterfolge har dêrnei de hele dei, de hele wike. Ja, har hele libben.
In trochskinende mol, dat moast wol de heechste foarm fan libjen wêze.
Keunst hast.
Huub, ik wens je veel succes met de tentoonstelling en je uitstekend gedocumenteerd
en geschreven boek. Het Guggenheim in Bilbao trekt 1 miljoen bezoekers per jaar
- jouw tentoonstelling is zeker de helft waard. Bedankt voor jullie aandacht,
de tentoonstelling is hiermee geopend.
Josse de Haan, Hendaye-France/Leeuwarden-Fryslân, 19 april 2008